Rijksambtenaren moeten volgens minister Plasterk op de langere termijn rekening houden met een iets lager pensioen. Dat is een gevolg van het cao-onderhandelingsakkoord met de vakbonden. Daar staat echter wel een loonstijging tegenover.

In het onderhandelaarsakkoord is ervoor gekozen om per 1 januari 2016 het pensioen van de ABP-regeling te indexeren op basis van de prijsinflatie, in plaats van de looninflatie. De premie wordt daardoor lager. Hoe groot de pensioendaling exact zal zijn is volgens de minister van Binnenlandse Zaken moeilijk te zeggen, zo antwoordt hij op vragen van de vaste Kamercommissies van Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Indexeren


Plasterk antwoordt “De huidige financiële situatie bij het ABP maakt het onmogelijk om de pensioenen de komende jaren te indexeren. Doorrekeningen van ABP geven aan dat de dekkingsgraad waarop volledig geïndexeerd kan worden, met een lagere pensioenpremie en zonder herstelopslag bij prijsindexatie een jaar eerder wordt bereikt (2022) dan met de hogere pensioenpremie plus herstelopslag bij loonindexatie (2023).”

Directe koopkrachtstijging


Tegenover een iets lagere pensioenambitie staat een loonstijging van 5,05 procent over 2015 en 2016. Dat leidt volgens Plasterk niet alleen tot een directe koopkrachtstijging van overheidswerknemers, maar ook tot een structureel hoger pensioengevend loon en dus een hogere pensioenopbouw. De gevolgen van de overeenkomst voor de pensioenuitkering van reeds gepensioneerden met een ABP-pensioenuitkering zijn volgens zowel Plasterk als het ABP zeer klein. Naar verwachting is de uitkomst van de achterbanraadplegingen over de onderhandelaarsovereenkomst in augustus bekend.

Bron: Binnenlands Bestuur
Delen: